Nieuwsartikel

Waar muziek ademt: Martinů, Tsjaikovski en Dvořák bij Cofena

Onder de bezielende, maar nooit opdringerige leiding van Alevtina Ioffe ontvouwde het Prague Radio Symphony Orchestra op zaterdag 7 februari in de Elisabethzaal te Antwerpen een programma binnen de Cofena-reeks van Elisabeth Klassiek dat meer was dan een representatieve staalkaart van de Tsjechische orkesttraditie. De avond groeide uit tot een zorgvuldig opgebouwde muzikale gedachtegang, waarin elk werk zijn plaats vond binnen een groter geheel. Ioffe, die zich de voorbije jaren manifesteerde als een dirigente met een scherp analytisch instinct en een fijn ontwikkeld gevoel voor orkestrale adem, behandelde het concertprogramma niet als een opeenvolging van partituren, maar als een doorlopend narratief waarin structuur en expressie elkaar voortdurend aftastten en versterkten. In dat verhaal verscheen Timothy Chooi – tweede prijs Koningin Elisabethwedstrijd 2019 – niet louter als solist, maar als een stem die, adem voor adem, de symfonische stroom accentueerde en verrijkte, en de luisteraar in het hart van het verhaal trok.

Van de ritmisch gearticuleerde helderheid van Martinů, via de solistische intensiteit van Tsjaikovski en de ingetogen lyriek van Dvořáks Romance, tot de brede symfonische gebaren van diens Achtste symfonie: telkens keerde dezelfde vraag terug naar de voorgrond. Hoe ademt muziek? Hoe beweegt zij zich tussen formele discipline en emotionele vrijheid, tussen structuur en spontaniteit? Het Prague Radio Symphony Orchestra toonde zich daarbij als een ensemble dat technische precisie wist te verbinden met een opvallend flexibele klankcultuur. Die transparantie maakte niet alleen de muzikale architectuur hoorbaar, maar legde ook gewicht in elke interpretatieve keuze – alsof de muziek zichzelf, zonder omhaal, organisch liet ontstaan.

In beweging gezet

De avond zette zich in met de Ouverture H 345 van Bohuslav Martinů (1890-1959), een werk uit 1953 waarin de componist, schrijvend in Amerikaanse ballingschap, zijn heimwee naar Tsjechië omzet in een strak gearticuleerde neoklassieke taal die verwijst naar het achttiende-eeuwse concerto grosso. De korte, nerveuze motieven van de strijkers klonken bijna als echo’s van een heimelijk verlangen naar Tsjechië, scherp gearticuleerd maar altijd vloeiend in hun ritmische energie. Onder Ioffe kreeg deze muziek een duidelijke, doelgerichte voortgang, zonder ooit de indruk te wekken van opgelegde strakheid: alles bleef in beweging, licht elastisch, alsof de partituur zichzelf vooruit schoof. De strijkers tekenden hun korte, nerveuze figuren met een scherpe articulatie die de motoriek voelbaar maakte, terwijl de houtblazers met hun warme, gelijkmatige klank de melodische fragmenten een fijnzinnig, haast ironisch kleuraccent meegaven.

Beslissend was hier de helderheid van het klankbeeld. De muziek klonk open en transparant, zonder ooit uit te dunnen. De verschillende lagen van Martinů’s partituur bleven hoorbaar naast elkaar bestaan, waardoor de luisteraar niet werd overweldigd, maar werd meegenomen in een voortdurend verschuivend muzikaal landschap. Ioffe dirigeerde met een sobere, geconcentreerde hand: weinig zichtbare theatrale gebaren, des te meer richting en focus. Het orkest reageerde alert, zonder dat de muzikale lijn aan spanning verloor. Zo werd deze ouverture meer dan een loutere opening: zij fungeerde als een eerste esthetische verklaring, waarin alertheid, doorzichtigheid en een bewuste terughoudendheid tegenover overtollige dramatiek meteen werden vastgelegd.

Wanneer virtuositeit vertelt

Met het Vioolconcerto van Peter Tsjaikovski (1840-1893) verschoof het zwaartepunt van de avond onmiskenbaar. Waar tot dan toe het orkest als collectief lichaam had geademd, werd de muzikale energie nu samengebald in één enkele stem. Met Timothy Chooi op het podium vernauwde het perspectief zich tot de solist, zonder dat het symfonische weefsel aan draagkracht verloor. Chooi speelde op de legendarische Stradivarius Dolphin uit 1714, ooit het instrument van Jascha Heifetz, en de rijke, gelaagde klank van dit instrument verleende de uitvoering een historische resonantie – niet als prestige, maar als stille onderstroom.

Chooi maakte van Tsjaikovski’s concerto geen etalage van technische bravoure, maar een doorlopend muzikaal relaas waarin virtuositeit en lyriek elkaar voortdurend in evenwicht hielden. Reeds in het openingsdeel viel zijn spel op door een heldere, gefocuste toonvorming: krachtig waar nodig, maar nooit zwaar of opzichtig. De grote melodische bogen ontvouwden zich met natuurlijke adem, zorgvuldig opgebouwd en gedragen door een vibrato dat richting gaf zonder in sentiment te vervallen.

Ioffe hield het orkest licht en beweeglijk, zodat de viool zich vrij kon inschrijven in het grotere geheel. De begeleiding bleef alert en transparant, met voldoende spanning om het drama te dragen zonder de solist te overschaduwen. Vooral in de dialogen met de houtblazers ontstond een levendig muzikaal gesprek, waarin frasering en klankkleur elkaar wederzijds beïnvloedden en het concerto zijn uitgesproken symfonische karakter behield.

Het emotionele zwaartepunt van Chooi’s interpretatie lag in de Canzonetta. Hier nam de solist bewust de tijd en koos hij voor een ruimer, trager tempo dat de muziek juist nog meer openvouwde. Chooi trok zich als het ware terug in de melodie, met een ingehouden spel waarin de eenvoud van Tsjaikovski’s muzikale taal volledig tot spreken kwam. Zijn toon bleef intiem en geconcentreerd, alsof elke frase eerst moest worden ingeademd voor zij klonk. Ioffe volgde deze keuze met volledige overgave, waardoor het orkest mee ademde met de solist en een serene, bijna meditatieve rust ontstond. De strijkers van het Prague Radio Symphony Orchestra omhulden de vioollijn met een zachte, warme gloed, waarbij de klank fungeerde als draagvlak eerder dan als achtergrond.

Net aan de aanzet van het finale Allegro vivacissimo deed zich een moment van onvoorziene breekbaarheid voor: een snaar begaf het. Het was een stilte die de tijd even ophief – een zeldzaam ogenblik waarin de kwetsbaarheid van het live-moment tastbaar werd. Chooi bleef opmerkelijk kalm, verving zelf zijn snaar en werd daarbij gedragen door een warm, begrijpend applaus uit de zaal. Wat een potentieel ontwrichtend incident had kunnen zijn, werd een moment van gedeelde concentratie.

Toen de muziek opnieuw inzette, was echter van aarzeling geen sprake. Het slotdeel barstte los met hernieuwde energie en Chooi liet zijn technische meesterschap horen met een lichtheid die elke vorm van geforceerde virtuositeit vermeed. De snelle passages klonken soepel en elastisch, ritmisch scherp, met een dansante vitaliteit die het finale karakter van de muziek onderstreepte. Na afloop veerde het publiek recht in een uitbundig applaus, dat Chooi beantwoordde met een bisnummer: een fragment uit The Red Violin van John Corigliano (°1938). Daarin kon hij nog eenmaal tonen hoe techniek, klankverbeelding en muzikale intelligentie bij hem samenvallen – niet als spektakel, maar als verfijnde epiloog.

Waar de muziek zich opent

Na de intensiteit van Tsjaikovski bracht de Romance in F van Antonín Dvořáks (1841-1904) een moment van ingetogen verstilling, een kleine wereld waarin tijd leek te vertragen. Dit zelden uitgevoerde werk, geworteld in het langzame deel van een vroeg strijkkwartet dat Dvořák later verwierp, vormde de perfecte overgang tussen de solistische vioolexpressie en de symfonische adem van het orkest. Chooi speelde de Romance met een vanzelfsprekende zangerigheid en geconcentreerde intimiteit. Elke frase ontvouwde zich alsof de melodie zichzelf ter plekke ontdekte, gedragen door een innerlijke logica die geen woorden nodig had. Zijn toon bleef warm en open, en zijn frasering gaf de muziek een bijna vertrouwelijk karakter. Voor veel luisteraars vormde dit het emotionele hart van het concert: Chooi raakte, overtuigde en liet virtuositeit volledig in dienst staan van de muziek. Het orkest begeleidde subtiel en meelevend: de strijkers omhulden de viool met een zachte gloed, de houtblazers lieten hun tonen als adem door de ruimte zweven. Ioffe koos voor een ruim tempo, waarin stilte en dynamiek hun volle gewicht kregen. Het resultaat was een passage die de luisteraar letterlijk liet voelen hoe muziek ademt – een ontroerend hoogtepunt van de avond.

Die intieme concentratie opende de weg naar de buitenwereld: de overgang naar Dvořáks Symfonie nr. 8 voelde als een natuurlijke expansie van de adem. Dit werk, vaak beschouwd als zijn meest “Boheemse” symfonie, ontstond in de rust van zijn zomerverblijf in Vysoká, ver van de druk van de Weense critici. Vanaf de eerste maten ademde de uitvoering een gevoel van vrije, ongekunstelde vreugde. Ioffe liet de muziek groeien zonder haar te forceren, weerstand biedend aan de verleiding het werk tot een folkloristisch feeststuk te reduceren. De strijkers zongen in hun warme, soepele klank, terwijl de houtblazers hun melodieën met een bijna vocale vrijheid vertolkten: iedere frase leek organisch te ontstaan uit de adem van het ensemble zelf, en het volksmuzikale karakter van de muziek kwam op een natuurlijke manier tot leven, nooit geforceerd of geaffecteerd.

In het langzame deel ontvouwde zich een brede, lyrische stroom die luisteraar en orkest uitnodigde tot gedeelde aandacht. De muziek ademde op een manier die niet gepland leek, een ademhaling die vertraagde en versnelde zonder de indruk van regie: alsof Dvořák zijn eigen tempo, zijn eigen klankruimte, ademde via het ensemble. De subtiele dynamische verschuivingen, de delicate interactie tussen eerste en tweede violen, tussen houtblazers en strijkers, maakten van dit deel een oefening in muzikale aandacht, een introspectieve reflectie die tegelijk licht en diepgaand voelde.

Het daaropvolgende Allegretto grazioso voerde de luisteraar naar een lichtere, dansende sfeer, waarin de muziek eerder zweefde dan stapte, met een elegantie die alles behalve frivool was. Ioffe liet de ritmische puls soepel ademen en zorgde ervoor dat elke articulatie, elk accent, als vanzelf in de melodische lijn opging. De koperblazers voerden hun rol uit met een zekere speelsheid en helderheid, de strijkers behielden hun elasticiteit en flexibiliteit, en het ensemble als geheel ademde in perfecte symbiose: een balans tussen vrijheid en vorm, tussen spontaniteit en structuur.

In het slotdeel, dat opent met de beroemde trompetfanfare, werd de symfonie voltooid in een zorgvuldig opgebouwde variatiestructuur. De energie van het orkest nam gestaag toe, maar zonder dat het ooit opdringerig werd. Ioffe liet de muziek glanzen in helderheid en precisie, waarbij de koperblazers zelfverzekerd klonken, de strijkers soepel en veerkrachtig bleven, en iedere frase een logische uitkomst van de vorige leek. Het geheel culmineerde in een finale die feestelijk en stralend was, maar nooit uitbundig of zwaar, een perfecte afsluiting van een avond waarin intimiteit en overvloed elkaar voortdurend spiegelden en versterkten.

Muziek die ademt

Wat deze avond overtuigend liet horen, was hoe muziek zich kan bewegen tussen precisie en vrijheid, tussen individuele zeggingskracht en collectieve adem. Het Prague Radio Symphony Orchestra onder Alevtina Ioffe toonde zich een ensemble dat technische discipline weet te verbinden met een opmerkelijk gevoel voor klankkleur en ritmische flexibiliteit. Ioffe dirigeerde met een geconcentreerde terughoudendheid: elke frase ontsprong organisch uit de adem van het orkest, en waar nodig volgde de solist vanzelf, zonder dat iets werd geforceerd.

Timothy Chooi voegde daar een persoonlijke stem aan toe, een stem waarin virtuositeit nooit een doel op zich was, maar altijd een middel om de muziek te laten spreken. Zijn spel in Tsjaikovski’s Vioolconcerto en Dvořáks Romance balanceerde grandioos op de dunne koord tussen controle en spontaniteit, en het historische gewicht van zijn Stradivarius Dolphin voegde geen last toe, maar extra resonantie, als een stille echo van eeuwen klank. Chooi liet horen dat muzikaliteit niet wordt afgedwongen door snelheid of effect, maar ontstaat in aandacht voor frasering, in de warmte van een toon, in de logica die elke melodie ademt.

Samen creëerden Ioffe, het orkest en Chooi een ervaring die zowel het intellect prikkelde als het gevoel beroerde. Een avond die uitnodigde tot luisteren, herbeleven en nadenken over hoe muziek zich beweegt: tussen discipline en vrijheid, tussen persoonlijke stem en collectieve adem, tussen het gehoorde en het gevoelde. Wanneer aandacht, verbeelding en vaardigheid samenkomen, ontvouwt muziek zich als een ademende, organische stroom die de luisteraar niet alleen hoort, maar ook voelt.

Werner De Smet Werner De Smet is leraar Duits aan het Onze-Lieve-Vrouwecollege plus in Antwerpen. Geregeld bezoekt hij met leerlingen klassieke concerten in binnen- en buitenland. Hij heeft tien jaar in het Antwerps Kathedraalkoor gezongen en werkt al verschillende jaren als vrijwilliger bij concertorganisatie Cofena de programmatie met gerenommeerde buitenlandse orkesten en solisten uit. Dit doet hij momenteel in samenwerking met het Antwerp Symphony Orchestra.

← Ga terug